Het persoonlijke verhaal van wethouder Lara de Brito bij de ceremonie rond de ontsteking van het Bevrijdingsvuur op 4 mei in Wageningen

4 en 5 mei heeft dit jaar als thema ‘De kracht van het persoonlijke verhaal’. Toen ik dat hoorde moest ik aan deze man denken: Albie Sachs. Nelson Mandela kent iedereen, maar bijna niemand kent deze anti-Apartheidsstrijder die een aanslag op zijn leven ternauwernood overleefde. Op die ochtend, toen zijn auto ontplofte in hartje Maputo, de hoofdstad van Mozambique, waar hij in ballingschap leefde, was ik onderweg naar school. Elf jaar was ik. Het beeld van de auto waar nog rook uit komt vlak na de ontploffing, zal ik nooit vergeten. Sachs verloor zijn rechterarm en werd blind aan een oog. Wat mij vergezeld is het plaatje van de altijd lege mouw, maar ook, zoals hij het zelf noemt, zijn zachte wraak, de zachte wraak van verzoening. Tijdens het verzoeningsproces van Zuid-Afrika was Sachs heel belangrijk. Later, als hoge rechter, heeft hij veel bereikt op het terrein van mensenrechten. Voor mij heeft Albie Sachs iets tijdloos, hij verbindt wat ik waardevol vind, met wie ik nu ben en waar ik vandaan kom.

Zoals veel andere Portugezen zijn mijn moeder en vader op jonge leeftijd met hun ouders naar Mozambique geëmigreerd. Ze studeerden allebei geschiedenis aan de universiteit van Maputo. Het voelt als een voorrecht dat ik dochter ben van twee ouders die allebei de eerste in hun familie waren die gingen studeren. Beide waren actief betrokken bij de onafhankelijkheidsbeweging Frelimo. In 1975, na een tien jaar slopende oorlog tegen de kolonialisten, was de onafhankelijkheid van Mozambique eindelijk een feit. De Frelimo nam de macht over en vormde een Marxistisch-Leninistische regering en staat. Mijn ouders mochten de geschiedenis letterlijk herschrijven. Tot dat moment werd op school de geschiedenis van Portugal onderwezen, nu moesten de geschiedenislessen gaan over Mozambique.

Een jaar na de onafhankelijkheid, in 1976, ben ik in de hoofdstad Maputo geboren met de Mozambikaanse nationaliteit, net als mijn vader. Ik groeide op in een land dat verscheurd werd door oorlog. De zestienjaar durende oorlog begon in het jaar dat ik geboren ben; een conflict tussen de regerende Frelimo en de rebellenbeweging Renamo. Kalasjnikovs in het straatbeeld waren voor mij als kind normaal, pas veel later realiseerde ik me hoe onveilig het eigenlijk was.

Mijn vader was verantwoordelijk voor de wetenschappelijke instituten waaronder het Centrum voor Afrikaanse studies waar veel prominente ANC-leden die in Mozambique in ballingschap leefden - de partij van Nelson Mandela en Albie Sachs - werkten. Mijn vader raakte in een politiek conflict verwikkeld over de richting waar het land op moest. Hij verzette zich tegen een politiek model gebaseerd op die van de Sovjet-Unie dat mensen beroofde van persoonlijke vrijheid. Het conflict leidde ertoe dat hij op een dag verdween. Mijn vader is op een vliegtuig naar het noorden gezet waar hij, in de provincie Niassa, een jaar vast is gehouden voor heropvoeding. Ironisch genoeg het ultieme voorbeeld van waar hij zich tegen verzette. Met gevaar voor eigen leven wist mijn moeder te achterhalen waar hij zat. Hij zat gevangen zonder in een gevangenis te zitten en heeft een hoge prijs betaald maar zichzelf niet verloochend.

In dezelfde jaren was voedsel schaars, op de potten augurken na die uit het Oostblok kwamen, was er weinig te krijgen. Mijn zusje en ik gingen bij mijn opa en oma wonen, die samen met de meeste Portugezen na de onafhankelijkheid naar Portugal waren teruggekeerd. Ik was toen zes jaar en mijn zusje vier. Zes jaar is een te jonge leeftijd om zonder je ouders te zijn.

Na anderhalf jaar haalde mijn moeder ons weer op en nam ons mee terug naar Maputo. Ons huis stond in een vrijliggend wijkje aan zee dat uit vijf straten bestond, straten zonder namen maar nummers. Ons huis stond halverwege de eerste straat, schuin tegenover de coöperatie waar mensen maandelijks in de rij stonden om voedsel te krijgen, ook wij. Dat waren de jaren dat iedereen voedsel op de bon had.

In het tweede straatje was de lokale school. Samen met mijn beste vriendinnetje Beatrix, uit Chili, waren mijn zusje en ik de enige witte kinderen op school. ’s Ochtends vroeg liepen we naar school en voordat we de klassen in gingen stonden we in strakke rijen met onze rechter vuist omhoog het volkslied te zingen. Daarna gingen we de piepkleine klasjes in waar soms de helft van de kinderen op de grond zat. De meesten hadden geen schoenen laat staan boeken. Behalve de grote armoede werd er ook veel geslagen op school. Na ruim een jaar kwamen we tot de conclusie dat het echt niet ging.

Mijn ouders waren ondertussen gescheiden en mijn vader was nadat hij vrijkwam het land uit gevlucht. We veranderden onze nationaliteit naar de Portugese en gingen naar de International School, ik was toen negen jaar. Het contrast kon haast niet groter. De International School zat vol kinderen van diplomaten die in kasten van huizen woonden met zwembaden en tennisbanen. Er was een Portugees meisje in mijn klas die dezelfde sneakers in alle kleuren van de regenboog had. Op dat moment was Mozambique het armste land ter wereld. Als klein meisje snapte ik al dat armoede alles te maken heeft met vrijheid, met de mate waarin je persoonlijk vrij kunt zijn.

Ondertussen kwam de oorlog steeds dichterbij. Ik kan me de grote ontploffing, de genadeloze harde klap, van het opblazen van de munitiedepot een paar kilometer van ons huis duidelijk herinneren. De oorlog omsingelde niet alleen de hoofdstad, maar drong ook binnen in Maputo in de vorm van aanslagen op ANC-leden.

Niet alleen de aanslag op Albie Sachs staat in mijn geheugen gegrift, ook de angst die gepaard ging met het feit dat onze overbuurvrouw Sarah lid van het ANC was. In die tijd dat er veel bomaanslagen waren sprak mijn moeder ons als kinderen stevig toe “Vertel nooit aan iemand waar Sarah woont want straks blazen ze haar huis op.” ANC-leden werden opgespoord doordat er op straat naar ze werd gevraagd. Ik heb er jarenlang nachtmerries van gehad. Als moeder snap ik dat die duidelijkheid nodig was om ons veilig te houden. Daarnaast waren er steeds vaker bommen die willekeurig op straat afgingen, verstopt in een pen of aansteker die op straat lag. Als kind hadden we dus duidelijke instructies om niets van de grond te rapen.

In 1988 zijn we met mijn Nederlandse stiefvader uit Mozambique vertrokken. En na twee jaar Burkina Faso zijn we in 1990, op mijn veertiende, in Wageningen komen wonen. In de internationale context van Wageningen kon ik Nederlands worden. En werd ik me bewust van de grote rijkdom hier en de grote verantwoordelijkheid die voor mij daarmee gepaard gaat om ervoor te zorgen dat in een van de rijkste landen ter wereld geen kind in armoede hoeft op te groeien.

Zes jaar nadat we een land in oorlog hadden achtergelaten keerde ik op mijn zeventiende, in de zomer van 1994 voor het eerst terug. Inmiddels was de vrede getekend, was mijn vader weer terug in Mozambique en waren de eerste democratische verkiezingen slechts een paar weken ver weg. Mijn vader haalde me van het vliegveld op en toen we boven bij zijn appartement waren wees hij naar beneden en zei ‘daar is vorige week iemand op klaarlichte dag doodgeschoten.’ De eerste nacht werd ik wakker gehouden door schoten. Er was vrede maar nog geen veiligheid. De militairen hadden geen werk maar nog wel wapens. Democratie vraagt tijd en om mensen die vanuit een diepe overtuiging zich er onvermoeibaar voor inzetten. Mensen zoals mijn vader, die terug is gegaan en zich al vele jaren voor democratisering inzet. De laatste jaren weer met gevaar voor eigen leven, Mozambique balanceert wederom op de rand van burgeroorlog.

Ik ben niet alleen in een ander werelddeel opgegroeid maar ook in een andere wereld. Van mijn generatie ken ik geen mensen die zijn opgegroeid zonder televisie, in een stad zonder winkels, zonder reclame, in een land zonder verkiezingen. Een land die tegelijkertijd de veilige haven was voor ANC-leden die het Apartheidsregime moesten ontvluchten. Oorlog en vrede, vrijheid en onvrijheid zijn geen eenduidige verhalen.

Het verhaal van mijn ouders en opgroeien omringt door armoede heeft mijn identiteit gevormd en mij geleerd hoe belangrijk persoonlijke vrijheid is en dat vrijheid nooit vanzelfsprekend is. Van mijn moeder heb ik geleerd om onafhankelijk en kritisch na te denken. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik me bewust ben van het feit dat ik veel kansen heb gekregen in het leven. En ik ben dankbaar dat ik me als wethouder van deze mooie stad elke dag opnieuw mag inzetten voor het vergroten van de persoonlijke vrijheid van alle Wageningers. Met Albie Sachs altijd als inspiratie op de achtergrond aanwezig.

Wethouder Lara de Brito bij ontsteking van het Bevrijdingsvuur op 4 mei in Wageningen